open huis
31 maart 2012
“Hier was de woonkamer, met een trappetje naar de steekzolder.” Ze wuift naar mijn kantoor, een hok van ca. tien vierkante meter. Ik trek mijn wenkbrauwen op. “Ja, mét die hal, natuurlijk. Dat muurtje stond er toen niet.”
We lopen terug de woonkamer in. “Dit was de winkel. Er zat toen een erker in, met een uitstalling aan weerszijde van de winkeldeur. En daarachter was de deur naar de keuken.” Ze wijst naar de uitbouw met open keuken en eetgedeelte, een ingreep waarmee ons huis in de jaren zeventig van een eenvoudige arbeiderswoning is omgetoverd tot een twee-schuin-achter-elkaar-kap met bijna 200 vierkante meter binnenruimte. “We wasten ons aan de pomp.”
“Er is achter het huis een betonnen plaat met een holle ruimte. Was dat misschien…” opper ik. Ze schudt haar hoofd. “Nee, de pomp was in mijn jeugd aangesloten op de regenton. We moesten de goten goed schoonhouden, anders hadden we vies water. Later is er wel een waterbak ingegraven. Gebruikt u ‘m nog?”
Dat mocht ik willen – de vorige bewoner heeft de boel zodanig verziekt dat we met de beste wil van de wereld die waterbak niet meer kunnen aansluiten om op milieuvriendelijke wijze aan was- en spoelwater te komen.
We draaien ons om naar de zitkuil. “Mij is verteld dat daar vroeger een bedstede was,” geef ik een voorzetje. Ze knikt. “Dit was een slaapkamer. We waren met tien kinderen thuis, dus het was wel proppen. Ook hier was een opgang naar de zolder. Dáár,” ze wijst naar de vide met de oude balken in het zicht, “was nog een slaapkamertje. En boven de winkel was de voorraadruimte.”
We lopen naar boven. Het hoekje met het ingebouwde bureau onder de oude schoorsteen was een soort noodruimte, vertelt ze. Daar was ook een deurtje naar buiten. Ze staart over het platte dak naar het huis van de achterburen, dat óók te koop staat. “De plek is kleiner dan ik me herinner, maar het huis is een stuk groter.”
We keren op onze schreden terug. Ik ga haar voor naar het achterhuis, waar nóg een verdieping is. Ze kijkt haar ogen uit. “Een badkamer, nee, dat hadden we natuurlijk niet. Hier stond onze schuur. En die tuin was van iemand anders. Daar stond net zo’n huisje als dat van ons.”
Ze vraag waarom we willen verhuizen, en ik leg uit dat er zó weinig voorzieningen zijn, dat we willen uitwijken naar een dorp met een treinstation. De gemeenten in Noord-Groningen concentreren zich vanwege de krimp op enkele kerndorpen, en dit is er helaas geen. Dat betekent dat de school verdwijnt, en ook het verzorgingshuis. Ze schrikt – daar had ze zichzelf misschien nog wel zien wonen, later, als ze echt niet anders meer kon. Hoe oud zal ze zijn, vijfenzeventig? Een goed verzorgde en intelligente vrouw.
“Zijn jullie alle tien goed terechtgekomen?” vraag ik bezorgd. Ze knikt. “Er zijn er nu wel een paar overleden, hoor, maar we hebben het allemaal gered. Je wist ook niet beter, hè?”
Ik laat haar nog een kinderslaapkamer zien, en mijn atelier. “Zoveel ruimte,” zegt ze. “Apart hoor.”
Bij het afscheid wenst ze me succes, hoewel we allebei weten dat de kans op een koper miniem is. Als we elkaar de hand schudden, zucht ze – niet verdrietig, eerder gelaten. “Het verzorgingshuis ook al,” mompelt ze. “Ik weet wel dat we er niks tegen kunnen doen, maar toch… Niet iedere verandering is een verbetering.”


Mijn online kanalen: